Dit is een website van Robert en Marja. Er moet nog wat aan gesleuteld worden, maar alvast het begin.

Het blog van Marja is hier te vinden: http://www.ronma.eu/wp

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

 

Cat tales: Mijn naam is Hercules

 Autobiografie van een Griekse kat in Nederland.

 Ik ben Hercules, een kater die in mijn beste levensjaren rond de 10 kilo woog. Momenteel vertoef ik in de kattenhemel, de eeuwige muisvelden. Daar ook in het hiernamaals de efficiency toegeslagen heeft, is deze gelijktijdig de hel voor de kleine knaagdieren.

Jullie hebben het al begrepen, ik ben niet meer onder de levenden. Maar toch wil ik mijn levensverhaal met jullie delen, daar jullie kennelijk niets beters te doen hebben.

Mijn jeugd

Ik ben geboren kort voor de Griekse Pasen in Palea Epidavros, een klein dorpje in Argolis op de Peloponnesus in Griekenland. Mijn moeder was de oude kat van Robert’s moeder. Zij had al heel veel nesten gehad. Toen ik geboren was, had ik nog 5 broers en zussen, wij waren dus met 6 kittens. Onze kraamkamer was het keukenkastje in het vervallen huis naast het huis van Robert en Marja. Daar het raam eruit lag was de toegang niet moeilijk.

Mijn moeder had 6 tepels om haar kittens te voeden, maar een tepel was ontstoken en dus niet bruikbaar. Met 6 hongerige kittens is dit wel een probleem. Maar mijn moeder had een oplossing gevonden: zodra Robert en Marja uit Nederland aangekomen waren om voor de Griekse Pasen een schaap te cremeren, werd ik uit het nest gehaald en zo bij hun in de tuin geparkeerd, dat zij mij niet konden missen. Mijn geblaair  trok waarschijnlijk ook de nodige aandacht. Ik was toen ongeveer 10 dagen oud en had net mijn ogen open. Het eerste wat ik zag was de uitgeleefde kop van Robert. Maar een keer van de schik hersteld, werd ik opgenomen en verzorgd. Marja haalde in de lokale apotheek wat Almiron, een soort krachtvoer voor mensenkittens, Robert offerde het stofkwastje annex blaasbalg van zijn Nikon camera op, dit werd omgebouwd tot een voedspeen.

Dus ik werd goed gevoed. Maar wat erin gaat, moet er ook weer uit. Moederpoezen likken de achterkant van hun kittens, en Robert en Marja kwamen er al snel achter dat zij mijn edele delen met een tissue moesten aanraken zodat ik een plas kon doen. Mijn moeder kwam wel regelmatig langs voor wat lik-onderhoud.

Op een gegeven moment werd gezien, dat mijn moeder met brokjes kattenvoer naar het nest met mijn broers en zussen ging. Dat was dus het signaal om mij ook vast voedsel te geven, wat ik heel lekker vond. Maar ook dat moest er weer uit. In hoge nood begon ik dus in de hoek van de open haard te krabben, waar Robert snel een schoteltje met wat aarde neerzette. Daar kon ik dan mijn eerste drol kwijt, ik was dus gelijk zindelijk.

Ongeveer twee weken later, na de Griekse Pasen, moesten Robert en Marja weer terug naar Nederland. De nacht voor de vlucht logeerden zij bij een vriend in Athene, Antonis. Daar ik nog niet de vereiste papieren had om Nederland te mogen inkomen (inentingen etc.), regelde Antonis een afspraak bij een dierenarts in Athene. Dit was een aardige vrouw, die mij met een spuitbus van mijn vlooien verloste. Met een gezondheidsverklaring kon ik dus op reis.

Wat lenzen werden uit Robert’s fototas in de koffer verhuisd, zodat er voor mij plek was in de tas voor de vlucht. Wij vlogen terug met Air Holland, daar Antonis de vertegenwoordiger was van deze vliegmaatschappij op de luchthaven Athene, werd ik gelijk al bij de check-in door het luchthavenpersoneel bekeken en vertroeteld.

Tijdens de vlucht worden de passagiers gevoerd met catering om ze rustig te houden. Het  rook best lekker, dus ik kroop gelijk uit de fototas om zoveel mogelijk mensenvoer naar binnen te werken. Op mijn jonge leeftijd had ik nog niet veel controle over mijn spijsvertering, dus het begon een beetje een bende te worden. De stewardessen, dat zijn de aardige meiden die in vliegtuigen rond lopen, namen mij gelijk mee naar de boordkeuken, waar ik van top tot teen gesopt werd en afgedroogd weer in Robert’s fototas terecht kwam.

In Nederland

Na zo’n dikke 3 uur in het vliegtuig landen wij in Schiphol en gingen met een taxi naar het huis van Robert en Marja in Hoofddorp. Het was effe wennen, een geheel andere omgeving. De eerste tijd werd ik binnen gehouden, later kon ik onder begeleiding naar buiten. Ik speelde eerst wat op het grasveld, later begon ik de bomen te ontdekken, waar ik goed in kon klimmen maar moeilijk weer eruit. Na een kort mauwconcert kwam Robert meestal met de ladder om mij weer uit de boom te vissen.

Robert en Marja hadden ook al wat andere huisdieren: een roodwang moerasschildpad en een gerbil (Mongoolse woestijnspringmuis). De schildpad zat in een vijver binnen in de woonkamer, in een bak met aarde ernaast zat de gerbil. Via een plastik buis met een deurtje kon de gerbil de woonkamer in om daar rond te lopen. Dat deed hij dus ook toen ik er aankwam, wij waren toen ongeveer even groot. Ik ging achter de gerbil aan, dat werd een hele race door de woonkamer, iedere keer onder de bank door, gerbil-kat; gerbil-kat etc. Na een tijdje was de gerbil het zat, bleef staan op zijn achterpoten en nam een dreig houding aan. Toen ging de race verder, kat-gerbil; kat-gerbil….  Wij zijn altijd de beste vrienden gebleven, ook toen ik groot was kon de gerbil rustig door de woonkamer lopen zonder dat ik hem bedreigde. Helaas leven gerbils maar maximaal 3 jaar, dus op een dag zag ik dat het rustig bleef rond het houten hokje van mijn vriend, ik ben nog wezen kijken, maar hij was helaas overleden. Ik was hierna 3 weken depressief en in rouw.

Ik kreeg het beste kattenvoer en groeide flink door. Na ongeveer 3 maanden was het tijd voor een bezoek aan de dierenarts. Doc Jansen gaf mij verschillende spuiten tegen verschillende enge ziektes, die wij katten kunnen krijgen. Jansen is een beste kerel, maar een bezoek aan de dierenarts vond ik niet prettig, dus ik gebruikte gelijk mijn wapens (krabben, bijten). Deze bezoeken aan dierenartsen bleken ieder jaar nodig te zijn om mijn inentingen goed te houden. Meestal was Jansen het slachtoffer van mijn agressie, een keer toen hij op vakantie was gingen wij naar een andere dierenartspraktijk, met allemaal vrouwen. Ik heb mijn best gedaan om tegen ze te vechten, eentje werd helemaal bang maar uiteindelijk hebben zij mij met een aantal handdoeken in de wurggreep gekregen zodat ik mijn spuiten kon krijgen.

Gelukkig hadden Robert en Marja (mede op aandringen van Antonis) besloten, mijn edele delen compleet te houden. Reden was mede dat ik als gecastreerde kater bij terugkeer in Griekenland problemen zou krijgen met mijn soortgenoten,  deze kennen daar alleen poezen en complete katers, en niets er tussen in. Hier was ik heel blij mee, en ik gedroeg mij ook goed genoeg om niet alsnog aanleiding te geven tot een knip-actie, dus ik sprietste nooit binnen, alleen buiten in de tuin.

Verder haalde ik het kattenkwaad uit, dat je van een jonge kater kan verwachten. In het huis was ik vooral bezig met het verwijderen van kamerplanten uit de vensterbank en het omgooien van schemerlampen. De houder met de keukenrol was ook interessant, je kon aan het papier blijven trekken en het hield maar niet op tot de gehele keuken vol papier lag. Buitens huis was ik ook erg nieuwsgierig. Zo sprong ik eens door een open raam een woning binnen en kwam midden in een emmer latex muurverf terecht. Na het verspreiden van de muurverf over de vloer en inrichting van het pand ben ik snel weer naar huis gegaan, waar Robert mij vloekend in bad stopte om de verf uit mijn vacht te krijgen. Dit baden werd een maandelijkse procedure, was kennelijk ook wel nodig.

Familiebezoek

Robert en Marja gingen 3 keer per jaar naar Griekenland, en ik moest mee. Aan het vliegen was ik al als baby gewend, maar later ging ik als huisdier in de cabine (luchtvaartcode PETC) mee in een bench. Op een gegeven moment woog ik rond de 10 kilo, was dus aardig wat gesjouw. Wij vlogen meestal met Olympic Airways, Robert had daar wat vrienden en kon zo regelen, dat wij drie stoelen op een rij kregen, met de middelste stoel voor mij. Na een aantal jaren was ik bij de Olympic cabinecrew al zo bekend, dat ik bij de instap al met naam begroet werd. Een keer hadden wij een vliegtuig, dat mijn naam droeg: Irakles, dus Hercules. Het is mij nog steeds niet duidelijk, of dat vliegtuig, een Boeing 737, al die naam had of dat zij het naar mij vernoemd hebben…

Een keer, op de terugweg van Athene naar Amsterdam, hoorde de captain dat er een Griekse kater aan boord was, en deze moest gelijk geüpgrade worden naar de business class. Dus ik verhuizen naar voren, Robert en Marja moesten noodgedwongen mee.

Terug in Griekenland kon ik altijd gelijk weer bij mijn familie op bezoek en in de gaten houden wat er verder gebeurde met ze. Opvallend was dat de katten rond het huis in Griekenland een hechte gemeenschap vormden. Effin, er was af en toe wat ruzie, maar als het erop aan kwam hielpen wij elkaar altijd. Zo was er opeens een of ander roofdier, een grote marter, die door de pergola liep en een bedreiging was voor de kittens. Op bevel van de dienstdoende waak-kat gingen wij met zijn allen achter dat beest aan, katers, poezen en wat al nagels had en kon krabben. Het roofdier schok zich rot en ging op de vlucht, wij hebben hem nooit meer terug gezien.

In Nederland terug had ik altijd weer een dagtaak om de vreemde katers mijn tuin uit te meppen. Dat lukte meestal aardig, ik was wat groter en sterker dan zij, en zij konden heeeel hard weglopen.

Losbandig

Ik droeg al vanaf jonge jaren altijd een halsbandje met een kokertje. Nu raakte ik deze halsbandjes regelmatig kwijt, ik bleef er ergens aan hangen. Dus reservebandjes waren altijd aanwezig, ook bij verblijf in Griekenland. Toen ik daar mijn halsbandje verloor en ik gelijk een nieuw kreeg, kon ik mij gelukkig nog herinneren, waar ik het bandje kwijt geraakt was. Ik ben het toen gaan ophalen en heb het thuis afgeleverd, wat men wel bijzonder vond.

Autorijden

In het garagepad van het huis van Robert en Marja in Hoofddorp lag nog een oude olietank, en die moest weg. Dus kwam er een aannemer (een soort mens dat ik in de hemel nog niet tegen gekomen ben) om de tank uit de grond te halen. Afspraak was dat het gat met aangestampt zand opgevuld zou worden tot de hoogte van het oppervlak. Toen Robert met zijn autootje (een Range Rover) over het zand ree, zakte die gelijk tot de assen weg in het zand, dat dus niet aangestampt was. Robert besloot dus het zand met de auto te verdichten en de aannemer te bellen om het gat alsnog aan te vullen. De auto ging dus in de lage versnelling heen en weer over het garagepad. Dat leek mij wel interessant, dus ik sprong in de wagen en leerde met het stuurwiel om te gaan. Dat ging, dankzij de stuurbekrachtiging, best wel goed.

Later, toen Robert eens naar Duitsland moest, mocht ik mee. Op de Autobahn kon ik gelijk het sturen oefenen, dat ging prima. Ik zat bij Robert op schoot en bestuurde de auto, terwijl hij een shagje zat te draaien. Met rond de 140km/h bleef ik perfect de rijbaan volgen en haalde ook wat vrachtwagens in. Duitsers, die ons inhaalden, liepen een verzakte kaak op toen zij zagen dat een kat de auto bestuurde. Zover ik weet is het ook niet onwettig, er staat nergens in de wegenverkeerswet dat een kat niet mag autorijden.

In de ziekenboeg

Tijdens een verblijf in Griekenland, in de zomer, voelde ik mij niet goed. Ik at niet meer, en dronk ook niets. Gelukkig was de terugreis naar Nederland de volgende dag gepland, een keer daar aangekomen ging het nog steeds niet veel beter. Dus naar de dierenarts, die er ook verder niet veel van kon maken en mij doorstuurde naar de Universiteit Utrecht, waar zij een speciale afdeling dierengeneeskunde hebben. De doctoren daar hadden weinig hoop en stelden voor, mij maar te laten inslapen. Robert was het daar niet mee eens en zei, dat ze mij maar aan het infuus moesten hangen, in de avond weten wij meer. Toen hij tegen de avond belde, hoe het ging, hoorde hij dat ik alweer het personeel van de kliniek aanviel.

Ook werd de oorzaak van de problemen gevonden: het bleek om een soort cyste te gaan, die uit mij oor naar mijn hersenen groeide en allerlei uitvalsverschijnselen veroorzaakte. Ik ben twee keer geopereerd om de cyste te verwijderen, wat helaas niet helemaal lukte, want hij kwam iedere keer weer terug. Wel heb ik door deze operaties nog een paar jaar goed kunnen leven.

Het einde

Ik wist dat een derde operatie niet meer mogelijk was. Toen ik mij niet goed voelde heb ik mij terug getrokken in een verwilderd bosgebiedje in de buurt van ons huis in Hoofddorp. Daar ben ik rustig ingeslapen en heb het tijdelijke voor het eeuwige ingeruild. Robert en Marja wisten niet waar ik gebleven was. Een paar maanden vonden spelende kinderen wat er van mij nog over was, ook mijn halsbandje met kokertje. Zij konden Robert informeren waar ik lag, hij heeft gelijk mijn overblijfselen opgehaald en in de tuin begraven, naast de gerbil.

Nog niet helemaal vergeten

Robert heeft een B.V. opgericht na zijn ontslag uit de luchtvaartmaatschappij, waar hij werkte. Deze B.V. had een naam nodig, dus het lag voor de hand om mijn naam te gebruiken. Verder hebben Robert en Marja een huis gekocht in Griekenland, waarheen zij permanent zullen verhuizen zodra hun huis in Hoofddorp verkocht is. Het nieuwe huis ligt aan een weg, die geen naam heeft. Een andere Nederlander, die daar ook woont, stelde voor om de straat dan maar zelf een naam te geven. Robert  heeft dit geregeld, zo is er nu in Ano Epidavros een “Odos Irakles” ofwel Hercules Straat.